Aan het laden

Martini offers Google® Translate as a convenience for visitors to our web site who may not have Dutch as their primary language. Google® Translate provides automated translations, which may result in incorrect or misleading translations. Martini is not responsible for any translations provided by Google® Translate or for any damages or losses arising from the use of or reliance on these translations. Viewers who rely on information through Google® Translate on our web site do so at their own risk.

Go to Google Translate

  1. Home
  2. Behandeling en onderzoek
  3. Diabetes type 1 - voedingsadviezen

Diabetes type 1 - voedingsadviezen

Inleiding

Als u diabetes type 1 heeft is het net als bij mensen zonder diabetes belangrijk om gezonde voeding te eten. Het is niet nodig om een specifiek dieet te volgen met minder koolhydraten. Om uw bloedglucose goed te kunnen regelen, is het wel belangrijk te weten welke voeding invloed heeft op uw bloedglucose. Hiervoor is een goede koolhydraatkennis nodig, omdat koolhydraten in de voeding zorgen voor het verhogen van de bloedglucose.

Koolhydraten

Onze voeding bestaat uit koolhydraten, vetten en eiwitten. Gezamenlijk leveren deze voedingsstoffen energie aan ons lichaam. Dit wordt uitgedrukt in calorieën. Van deze 3 voedingsstoffen hebben alleen de koolhydraten een verhogend effect op de bloedsuiker. Koolhydraten is een verzamelnaam voor alle suikers die er zijn, zoals zetmeel, vruchtensuiker, melksuiker en suiker uit de suikerpot (zie onderstaande afbeelding).

Producten zoals vlees, vis, gevogelte, ei, kaas, boter, olie, groenten, noten, zaden en pinda’s bevatten geen of weinig koolhydraten. Deze hebben dus ook geen of weinig effect op uw bloedglucose.

Uw lichaam breekt koolhydraten in het maag-darmkanaal af tot glucose (suiker). Vervolgens wordt het glucose opgenomen in het bloed, waardoor de bloedglucose verhoogt. Het bloed vervoert de glucose naar de lichaamscellen. Het hormoon insuline is nodig om glucose in de lichaamscellen op te nemen. In de lichaamscellen wordt glucose omgezet tot energie. De energie wordt bijvoorbeeld gebruikt om te kunnen bewegen of te kunnen denken.

Bij diabetes type 1 maakt het lichaam geen insuline meer aan en is het nodig om zelf insuline toe te dienen. Het is belangrijk om de hoeveelheid insuline af te stemmen op de hoeveelheid koolhydraten die in de maaltijd zitten.

Kwaliteit van koolhydraten

Sommige koolhydraten worden sneller omgezet in bloedsuiker dan andere, dit kunt u onderverdelen in “snelle” en “langzame” koolhydraten. Langzame koolhydraten hebben de voorkeur, deze vindt u terug in volkorenbrood, zilvervliesrijst, volkoren pasta, groente, fruit en peulvruchten.

De snelle koolhydraten zitten voornamelijk in de ongezonde koolhydraatbronnen zoals snoep, koekjes, chips, witbrood, cornflakes, cruesli, witte rijst, frisdrank en vruchtensap.

De snelheid waarmee koolhydraten worden opgenomen hangt ook af van de verdere samenstelling van het product of de maaltijd, zoals de hoeveelheid vetten, eiwitten en vezels.

Koolhydraten en insuline

Bij diabetes type 1 is het gebruikelijk om 4 keer daags insuline te spuiten. Eén keer langwerkende en daarnaast 3 keer per dag kortwerkende insuline bij de maaltijden. De langwerkende insuline is bedoeld als basis. De kortwerkende insuline is nodig om de koolhydraten van de maaltijd op te laten nemen in het lichaam (zie onderstaande afbeelding).

De hoeveelheid koolhydraten kunnen per voedingsmiddel sterk verschillen. Dit betekent dat de hoeveelheid kortwerkende insuline per maaltijd en per dag ook kan verschillen. Als voorbeeld: 50 gram rijst bevat twee keer zoveel koolhydraten dan 50 gram aardappelen. Wanneer u meer koolhydraten eet, heeft u meer insuline nodig en wanneer u minder koolhydraten eet, heeft u minder insuline nodig.

Naast de hoofdmaaltijden kunt u kiezen voor tussendoortjes. Bij een tussendoortje van 15-20 gram koolhydraten is het mogelijk dat uw lichaam geen extra kortwerkende insuline nodig heeft. Bij een groter tussendoortje kan het wel nodig zijn om extra kortwerkende insuline te gebruiken.

Koolhydraat-insulineratio

De koolhydraat-insulineratio is een hulpmiddel waarmee de hoeveelheid kortwerkende insuline beter kan worden afgestemd op de koolhydraten in de voeding. Het is de verhouding tussen de hoeveelheid koolhydraten en de hoeveelheid insuline die daarvoor nodig is. Deze verhouding is per persoon verschillend en wordt door een diëtist berekend.

Bijvoorbeeld:

1 eenheid insuline verwerkt 15 gram koolhydraten. Dit betekent dat voor iedere 15 gram koolhydraten 1 eenheid insuline nodig is. De koolhydraat-insulineratio is dan 1:15.

2 sneetjes brood met jam en een beker melk = 60 g koolhydraten 60 / 15 = 4 eenheden insuline .

Rekenen met koolhydraten

Om de koolhydraat-insulineratio te kunnen gebruiken, is het belangrijk om de hoeveelheid koolhydraten in een maaltijd te kunnen berekenen. Dit kan op verschillende manieren:

Op ieder voorverpakt voedingsmiddel staan de voedingswaarden genoteerd. Dit wordt vaak weergegeven per 100ml, per 100g of per portie (bijvoorbeeld per glas). Let goed op welke portiegrootte wordt gebruikt. Bij dit etiket is een glas 250ml.

Op het etiket wordt de hoeveelheid koolhydraten vermeld. Soms wordt dit uitgesplitst. Dan staat er koolhydraten - waarvan suikers. Om te weten hoeveel koolhydraten in het product zit, kijkt u naar de koolhydraten. De term ‘waarvan suikers’ geeft enkel aan hoeveel toegevoegde suikers het product bevat. In dit geval zit er dus in een glas van 250ml, 17 gram koolhydraten.

Koolhydraatvariatielijst

De koolhydraatvariatielijst geeft een overzicht van veelgebruikte voedingsmiddelen. Van ieder voedingsmiddel staat de hoeveelheid koolhydraten per huishoudelijke maat aangegeven, dus per glas, plak, lepel, enz.

Vette maaltijden

Vet eten beïnvloedt de werking van insuline bij mensen met diabetes type 1. Door het vet uit de maaltijd worden de koolhydraten vertraagd opgenomen. Dit kan ervoor zorgen dat vlak na het toedienen van insuline een lage bloedglucose ontstaat en/of juist 2-4 uren na het eten hoge bloedglucose ontstaan.

Voorbeelden van vetrijke maaltijd:

  • Pasta met een roomsaus en/of kaas
  • Vette sausjes bij de maaltijd
  • Gefrituurd eten
  • Pizza
  • Chinees
  • Patat
  • Stamppot met rookworst en/of spekjes, vette jus
  • Maaltijd met vette vleessoorten in combinatie met koolhydraten, zoals een broodje gyros of shoarma
  • Pannenkoeken

Advies: het kan helpen de insuline dosering niet in één keer voor de maaltijd te spuiten, maar bijvoorbeeld in 2 doseringen op te delen. Een deel voor de maaltijd en een deel 1 á 2 uur na de maaltijd.

Voorbeeld: u eet een pizza en hebt berekend dat u voor die hoeveelheid koolhydraten 10 EH insuline nodig hebt. Dan kunt u er voor kiezen om voor de maaltijd 5 EH te spuiten en 1 á 2 uur later de overige 5 EH. De verhouding waarin u de bolus opsplitst kan per persoon verschillen.

Alcohol

Let goed op bij het drinken van alcohol. Alcohol heeft namelijk na enkele uren een verlagend effect op de bloedsuiker ondanks dat het veel koolhydraten bevat. Het ene biertje bevat nauwelijks suiker, het andere biertje bevat per flesje meer dan 3 suikerklontjes! Wilt u het exacte suikergehalte per biertje weten? Hoeveel suiker zit er in bier? (diabetesfonds.nl).

De lever zorgt ervoor dat een teveel aan glucose (onder invloed van insuline) wordt opgeslagen als glycogeen of laat glucose weer vrijkomen. Alcohol remt deze functie of laat het proces zelfs helemaal stoppen. De lever wil namelijk alcohol als eerste verwerken en regelt dan pas je glucose. U kunt ’s nachts ongemerkt een hypo krijgen na een alcoholisch drankje eerder die avond. Heeft u na het sporten alcohol gedronken? Dan is de kans op een hypo groter. Neem daarom extra koolhydraten mee.

Vraag uw eigen diëtist wat voor jou het beste is om te doen als je alcohol drinkt.

Beweging

Beweging maakt het lichaam gevoeliger voor insuline, waardoor het lichaam over het algemeen minder insuline nodig heeft. Naast dit lange termijn effect, heeft beweging ook een direct verlagend effect op de bloedglucose. Het lichaam verbrandt namelijk glucose tijdens beweging.

Een dalend effect op de bloedglucose is gunstig. Het is echter wel belangrijk om de insulinedosering aan te passen, om een hypoglykemie te voorkomen.

Het voorkomen van een hypoglykemie bij beweging kan op twee manieren:

  1. Minder kortwerkende insuline spuiten bij de maaltijd voor de beweging of activiteit.
  2. Extra koolhydraten nuttigen voor of tijdens de beweging.

De onderstaande tabel is een richtlijn voor het aanpassen van de insuline of het eten van extra koolhydraten. De adviezen kunnen echter per persoon verschillen. Minder insuline gebruiken heeft de voorkeur om extra ‘onnodig’ eten te voorkomen.

Wat te doen bij een hypo?

Een hypoglykemie (hypo) betekent dat er te weinig glucose in het bloed aanwezig is. Een bloedglucose onder de 3,5 mmol/l noemen we een hypo. Een hypo is te herkennen aan één of meer van de volgende verschijnselen: duizeligheid, hoofdpijn, bleekheid, zweten, honger, moeheid, beven, slecht zien en/of wisselend humeur.

Mogelijke oorzaken van een hypo kunnen zijn; minder koolhydraten gegeten dan vooraf gepland, te veel insuline gespoten, meer inspanning verricht dan u bent gewend of had gepland, drinken van alcohol.

Stap 1. Neem 16-20 gram glucose. De volgende producten kunnen worden gebruikt:

Stap 2. Na 15-20 minuten opnieuw de bloedglucose meten.

  • Een waarde kleiner dan 3,5 mmol/l à herhaal stap 1.
  • Een waarde hoger dan 3,5 mmol/l à geen extra maatregelen indien binnen 2 uur de volgende maaltijd.

Is de bloedglucose voldoende gestegen maar duurt het nog meer dan 2 uur voordat de volgende maaltijd gebruikt wordt? Neem dan een tussendoortje van ongeveer 15 gram langzame koolhydraten om de kans op een nieuwe hypo te voorkomen.

Bijvoorbeeld:

  • 1 sneetje brood met hartig beleg.
  • Een stuk fruit.
  • 2 volkoren crackers met hartig beleg.

Stap 3. Bij de volgende maaltijd weer de normale hoeveelheid insuline gebruiken. Het is belangrijk om tijdens een hypo eerst alléén glucose (de snelwerkende suikers, zie tabel bij Stap 1) te nemen, omdat het anders te lang duurt voordat de bloedglucose stijgt. Wanneer de bloedglucose te langzaam stijgt, komt het lichaam namelijk zelf in actie. Dit heet hormonale tegenregulatie. Het lichaam brengt dan de gehele voorraad suiker, die ligt opgeslagen in de lever en in de spieren, in één keer in het bloed. Dit kan weer leiden tot een te hoge bloedsuiker.

Gezonde leefstijl

Om fit en gezond te blijven is een gezonde leefstijl belangrijk. Samen met genoeg bewegen verkleint gezond en voldoende eten het risico op gezondheidsproblemen. De schijf van vijf helpt om gezonder te eten. De schijf van vijf is ontstaan vanuit de richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. In de onderstaande tabel ziet u de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden voor volwassenen.

Zoetstoffen

Zoetstoffen zijn stoffen die door fabrikanten aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om suiker te vervangen. Er zijn 2 soorten zoetstoffen:

  1. Zoetstoffen die 50 tot 500 keer zoeter zijn dan suiker en nauwelijks tot geen calorieën leveren. Dit zijn intensieve zoetstoffen.
  2. Zoetstoffen die ongeveer even zoet zijn als suiker en ook calorieën leveren. Dat zijn polyolen ofwel extensieve zoetstoffen.

Intensieve zoetstoffen

Voorbeelden van intensieve zoetstoffen zijn acesulfaam-K, cyclamaat, sucralose, sacharine, stevia en aspartaam. Ze verhogen de bloedglucose niet en leveren vrijwel geen calorieën (energie). Deze zoetstoffen worden verwerkt in zoetjes voor de koffie en thee, vloeibare of poedervormige zoetstof, light frisdranken, light vruchtensappen en melkproducten zonder toegevoegde suiker

Extensieve zoetstoffen (polyolen)

Extensieve zoetstoffen zijn xylitol, maltitol, sorbitol, erytritol en isomalt. Deze zoetstoffen worden verwerkt in “suikervrije” chocolade, koek, gebak, bonbons en ijs. Deze stoffen beïnvloeden de bloedglucose wel, maar vaak in mindere mate dan suiker. Polyolen kunnen bij hoge consumptie winderigheid en diarree veroorzaken.

Advies: Intensieve zoetstoffen zijn bij matig gebruik een goede vervanger voor gewoon suiker. Extensieve zoetstoffen hebben weinig voordelen en zijn daarom minder goed te gebruiken als vervanger voor suiker.

Veiligheid zoetstoffen

Tegenwoordig worden intensieve zoetstoffen in veel voedingsmiddelen gebruikt. Hierdoor gaan mensen steeds meer zoetstoffen gebruiken. Een vaak gestelde vraag is dan ook of het gebruik van zoetstoffen wel veilig is. Per zoetstof is er een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) vastgesteld. Deze hoeveelheid is afhankelijk van je lichaamsgewicht. Het is daarom niet mogelijk een eenduidige richtlijn over alle producten te geven. Op de volgende website is de aanvaardbare dagelijkse inname van zoetstoffen terug te vinden: De zoetstoffencheck | Kenniscentrum Zoetstoffen.

Versie: 00555 Diabetes type 1 ( voedingsadviezen) 2026-02

Specialisme: Diëtetiek