Behandeling baarmoederhalskanker

Delen via , of LinkedIn of Mail.

Wat is het?

Meerdere onderzoeken nodig
Verschillende behandelingen
Samenwerking met UMCG Groningen
Regelmatig op controle

Onze kwaliteit

  • Eerste afspraak binnen 2 weken
  • Kort diagnostisch traject

Wachttijd

Voorbereiding

In overleg met uw behandelend arts heeft u een afspraak gemaakt op de polikliniek Gynaecologie vanwege een verdenking op baarmoederhalskanker. Afwijkende cellen aan de baarmoederhals geven aanvankelijk geen klachten. Het eerste dat u zelf kunt opmerken, is een bloederige of bruinige afscheiding buiten de menstruatiecyclus, of bloedverlies tijdens of direct na geslachtsgemeenschap.

De gynaecoloog vraagt u naar uw klachten en doet vervolgens een inwendig onderzoek via uw schede (vagina). Hierbij wordt een spreider (speculum) gebruikt om de schede open te houden. De arts inspecteert de baarmoedermond en neemt een uitstrijkje af van cellen in het overgangsgebied tussen baarmoederhals en baarmoedermond.

Het uitstrijkje wordt microscopisch onderzocht door de patholoog-anatoom. De onderzochte cellen worden ingedeeld in een zogenaamde PAP-klasse. Dit is een schaalindeling, die loopt van ‘geen afwijkingen’ (PAP I) tot ‘zeer waarschijnlijk kankercellen’ (PAP V). De uitslag van het uitstrijkje is na 2-3 werkdagen bekend. U krijgt hierover binnen een week na afname van het uitstrijkje bericht. Ligt de waarde boven PAP-klasse I, dan zal de gynaecoloog na verloop van tijd een nieuw uitstrijkje maken, of verder onderzoek verrichten in de vorm van een colposcopie.

Extra onderzoek

Met een colposcopie kan de gynaecoloog met een sterk vergrotende loep (colposcoop) nauwkeurig het overgangsgebied van baarmoedermond naar baarmoederhals bekijken en beoordelen.
Vaak wordt azijnzuur in de schede ingebracht, een vloeistof die afwijkende cellen wit kan kleuren. Dit kan vervelend zijn, maar is niet echt pijnlijk. Een verdoving of narcose is zelden nodig. Als er afwijkingen zijn neemt de gynaecoloog een stukje weefsel (biopt) weg. Dit wordt weer door de patholoog-anatoom onder de microscoop bekeken. Het weefsel wordt dan ingedeeld in een CIN-klasse, een indeling die de ernst van de kankercellen aangeeft. Deze indeling varieert van ‘minimale afwijking’ (CIN I) tot ‘ernstige afwijkingen’ (CIN III). De uitslag is na 6-7 werkdagen bekend. U krijgt hierover 1 à 2 weken na afname bericht.

Wanneer sprake is van baarmoederhalskanker zal de gynaecoloog vervolgonderzoeken voorstellen. Baarmoederhalskanker kan namelijk doorgroeien tot in de onderliggende spierlaag van de bekkenbodem, in de schede en in de baarmoeder; in een later stadium ook in de blaas, de endeldarm of de buikholte. Tumorcellen kunnen losraken en zich verspreiden via de lymfebaan, en/of via het bloed (maar pas in een later stadium) zich uitzaaien in de longen, de botten of de lever.

Bloedonderzoek, inwendig onderzoek (eventueel onder narcose) door de gynaecoloog en de radioloog, en aanvullend röntgenonderzoek kunnen inzicht geven in de omvang van de kanker.

Behandeling

De behandeling is afhankelijk van de resultaten die gevonden zijn bij het vooronderzoek. U beslist zelf of u de voorgestelde behandeling wilt ondergaan. U kunt dit uitvoerig met uw arts bespreken.

  • In een zeer vroeg stadium van de kanker hoeft soms alleen het aangedane stukje van de baarmoederhals verwijderd te worden. Dit kan met een kleine operatie aan de baarmoedermond (conisatie of lisexcisie). De baarmoeder blijft dan behouden.
  • In een volgend stadium is verwijdering van de baarmoeder en eventueel de eierstokken nodig.
  • Bij verdere uitbreiding van de kanker is een grote buikoperatie noodzakelijk, de zogenaamde Wertheim Meigs-operatie. Hierbij worden de baarmoeder en eventueel de eierstokken, de lymfeklieren in het bekken, en het bovenste deel van de schede verwijderd. U wordt dan geopereerd in het UMCG, het academisch ziekenhuis in Groningen.
  • Bestraling (radiotherapie) kan kankercellen (gedeeltelijk) vernietigen. De behandeling kan uitwendig via de buik gebeuren, of (en zo nodig in combinatie) met inwendige bestraling via de schede. Hiervoor wordt onder verdoving of een kortdurende narcose een radioactieve bron in de schede geplaatst. De bestraling duurt een aantal weken. U gaat voor radiotherapie naar de afdeling Radiotherapie van het UMCG.
  • Chemotherapie is sporadisch als nabehandeling van baarmoederhalskanker noodzakelijk. Chemotherapie remt met behulp van medicijnen de celdeling van de kankercellen. Deze behandeling gaat vaak in combinatie met radiotherapie.

Nevenwerkingen

Het ontdekken van kanker in combinatie met een zware en langdurige behandeling, kan geestelijk en lichamelijk veel van u en uw naasten vergen. Vermoeidheid kan maanden tot soms jaren aanhouden.

  • Na de operatie kunnen algemene complicaties optreden, zoals bloedverlies tijdens de operatie, een infectie, verstoorde wondgenezing, of trombose. Door het verwijderen van de baarmoeder kunnen plasproblemen ontstaan, zoals ongewenst urineverlies. Dit herstelt zich na verloop van tijd. Ook de seksuele beleving kan na de operatie veranderd zijn. Er treden ook geen menstruaties meer op en geen zwangerschap. Als u nog niet in de overgang was, kan een vervroegde overgang ontstaan. Als uw lymfeklieren verwijderd zijn, kan er vocht ophopen in de benen.
  • Bij en na bestraling kan vermoeidheid, frequente aandrang tot ontlasting, buikkrampen of diarree optreden, soms is het plassen gevoelig (alsof er een blaasontsteking bestaat). Bij bestraling van de eierstokken is geen zwangerschap meer mogelijk en u komt eventueel vervroegd in de overgang.
  • Chemotherapie is vaak zwaar en geeft bijwerkingen als haaruitval, misselijkheid, braken, darmstoornissen, een verhoogde kans op infecties en vermoeidheid. Soms kan een vervroegde overgang ontstaan. Sommige bijwerkingen zijn met medicijnen te bestrijden.

Nazorg

Na behandeling voor baarmoederhalskanker gaat u regelmatig voor controle naar het ziekenhuis: de eerste twee jaar om de 3 maanden, het derde en vierde jaar om de 6 maanden totdat slechts jaarlijks een controle nodig is. Alleen indien noodzakelijk doet de arts hierbij inwendig onderzoek en maakt een uitstrijkje.

Wanneer u geopereerd bent in het UMCG, gaat u meestal ook naar de gynaecoloog van het UMCG voor controle. Soms alleen gedurende de eerste periode na de operatie en daarna eventueel afwisselend met uw gynaecoloog in het Martini Ziekenhuis.

Wanneer u bestraald bent, komt u afwisselend op controle bij de gynaecoloog en de radiotherapeut. Als u ook chemotherapie heeft gekregen, gaat u ook voor controle naar de internist-oncoloog. Voor de controles na bestraling en chemotherapie gaat u, afhankelijk van waar u de behandeling heeft ondergaan, naar het Martini Ziekenhuis of het UMCG. Bij bloedverlies uit de schede moet u altijd contact opnemen met de gynaecoloog.

Beloop

De kans op genezing of overleving wordt meestal uitgedrukt in de zogenaamde vijfjaarsoverleving (dit is de overleving na een periode van 5 jaar na de behandeling). De overleving na 5 jaar voor baarmoederhalskanker is afhankelijk van het stadium van de kanker. In stadium 1 is de overleving na vijf jaar ongeveer 75 tot 90%. In stadium 2 ongeveer 45 tot 60%. In stadium 3 circa 20 tot 25%. In stadium 4 is de overleving na 5 jaar ongeveer 5 tot 10%.

Als er de eerste 5 jaar geen aanwijzingen zijn dat de baarmoederhalskanker teruggekomen is, wordt de kans dat de kanker terugkomt steeds kleiner; dan is 5 jaar na de behandeling geen controle meer nodig. Gemiddeld geneest ongeveer 70% van alle patiënten met baarmoederhalskanker. Wat u voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw arts bespreken.