Baarmoederverwijdering

Delen via , of LinkedIn of Mail.

Wat is het?

Verschillende operatietechnieken
Liefst met behoud van eierstokken
Ziekenhuisopname: 2 tot 5 dagen

Onze kwaliteit

  • Korte wachttijd voor operatie

Wachttijd

Voorbereiding

In overleg met uw behandelend specialist heeft u een afspraak gemaakt voor verwijdering van uw baarmoeder. De grootte van de baarmoeder en de reden waarom de baarmoeder verwijderd wordt, bepalen de operatietechniek.
De gynaecoloog heeft met u besproken welke operatiemethode voor u het beste lijkt. U verblijft in totaal gemiddeld 2 tot 5 dagen op de verpleegafdeling Gynaecologie.

In de periode voor de operatie bezoekt u het preoperatief spreekuur. U heeft eerst een gesprek met de anesthesioloog (de arts die de verdoving toedient). Deze beoordeelt uw lichamelijke conditie en laat zo nodig aanvullend onderzoek verrichten.
U krijgt ook informatie over de verdoving tijdens de operatie: algehele narcose of plaatselijke verdoving met een ruggenprik. Daarna bespreekt u met de intakeverpleegkundige de voorbereiding op de operatie, uw ziekenhuisopname en uw thuissituatie. Als eierstokkanker en/of borstkanker meer dan gemiddeld in uw familie voorkomt, kan de kans op eierstokkankergroter zijn. Dit kan een overweging zijn om ook uw eierstokken te verwijderen. Bespreekt u dit voor de operatie met de gynaecoloog.

Opname

Een dag voor de operatie, soms op de dag zelf, wordt u opgenomen op de afdeling Gynaecologie. Voor de operatie moet u nuchter zijn.

De verpleegkundige helpt u bij de voorbereidingen op de operatie. U kleedt zich 1 uur voor de operatie uit. U trekt een operatiejasje aan, doet uw eventuele gebitsprothese uit en sieraden af, en gaat in bed liggen. De verpleegkundige geeft u zo nodig een rustgevend tabletje ter voorbereiding op de narcose en brengt u met uw bed naar de operatiekamer.

Operatie

Voor de operatie dient de anesthesioloog de verdoving (anesthesie) toe die met u is afgesproken. U krijgt een infuus (een naald met een slangetje) in een bloedvat, voor de toediening van vocht, medicijnen, en verdoving. Ook krijgt u een slangetje in de blaas (katheter) voor de afvoer van urine.

De gynaecoloog voert de operatie uit zoals met u is afgesproken. Ofwel via de schede (vaginaal), via de buikwand via een snede in de buik (abdominaal), of via de buikwand via een kijkbuisoperatie (laparoscopisch). Bij baarmoederverwijdering via de schede of met een kijkbuisoperatie is er altijd een kleine kans dat de gynaecoloog tijdens de ingreep alsnog moet overgaan op een buikoperatie.

In principe wordt ook de baarmoederhals verwijderd. De eierstokken blijven als het kan in de buik achter, zodat u eventueel niet vervroegd in de overgang komt. Een enkele keer komen tijdens de operatie afwijkingen aan 1 of beide eierstokken aan het licht en is verwijdering nodig. Ook dan zal de gynaecoloog proberen een deel te behouden om een voortijdige overgang te voorkomen.

Bij een buikoperatie en een kijkbuisoperatie wordt de buikwond gesloten met nietjes of met oplosbaar hechtmateriaal. Bij een vaginale operatie sluit de gynaecoloog de wond met stevige hechtingen die langzaam oplossen. Vaak brengt de gynaecoloog ook een tampon in uw schede aan. Een baarmoederverwijdering duurt, afhankelijk van de gebruikte techniek, 1 tot 2 uur.

Na de operatie

Als de operatie is beëindigd gaat u voor controle naar de uitslaapkamer (verkoeverkamer). Zodra u goed wakker bent, en alle controles in orde zijn, gaat u weer terug naar de verpleegafdeling. De katheter en de tampon worden in principe 24 uur na de operatie verwijderd. Na een buikoperatie met verdoving via een ruggenprik wordt de tampon ook 24 uur na de operatie verwijderd, maar blijft de katheter zitten zolang de verdoving nog werkzaam is.

Of u pijn in de buik en bij het litteken krijgt, is afhankelijk van de operatiemethode. De darmen komen binnen 1 tot 2 dagen langzaam weer op gang. De verpleging helpt u om zo spoedig mogelijk weer te bewegen om het herstel te bevorderen.

Bij elke operatie, dus ook bij een baarmoederverwijdering, kunnen complicaties of bijwerkingen optreden. Mogelijk is er bloedverlies tijdens de operatie, waarvoor bloedtransfusie noodzakelijk is. In de top van de schede kan een nabloeding ontstaan. Meestal lost het lichaam dit zelf op, het herstel zal dan wat langer duren. Soms moet het gevormde stolsel via de schede worden verwijderd. Een enkele keer ontstaan plasproblemen (zoals moeite met het ophouden van urine). Plasklachten gaan bijna altijd vanzelf over.

Op de tweede tot vijfde dag na de operatie kunt u, na akkoord van de gynaecoloog, meestal weer naar huis.

Nazorg

Meestal heeft u gedurende enkele dagen tot maximaal een paar weken wat bloederige afscheiding uit de schede. Dit is normaal, tenzij u pijn, koorts of ruim helderrood bloedverlies krijgt. Neemt u dan contact op met uw huisarts of de polikliniek Gynaecologie. Overleg met de gynaecoloog of u in bad mag of mag zwemmen. Douchen mag altijd.

De eerste weken is het verstandig niet zwaar te tillen. Lichtere werkzaamheden kunt u geleidelijk weer gaan doen. Dat geldt ook voor activiteiten als fietsen en sporten. Na 6 weken kunt u weer beginnen met werken. Eerder is alleen verstandig als u zich hiertoe lichamelijk in staat acht. U kunt het werken dan het beste geleidelijk aan opbouwen in werkduur en werkbelasting. Als u zich na 6 weken nog niet fit voelt, neem dan contact op met uw gynaecoloog, huisarts en/of bedrijfsarts. U krijgt meestal het advies om de eerste 6 weken geen seksuele gemeenschap te hebben of tampons te gebruiken, om het litteken in de top van de schede goed te laten genezen. Bij koorts, buikpijn of verlies van helderrood bloed moet u contact opnemen met het ziekenhuis.

U komt na 6 weken voor controle naar de gynaecoloog. Meestal belt uw arts u 1 à 2 weken na de opname voor het bespreken van de uitslag van het weefselonderzoek en uw herstel tot dan toe. De hechtingen lossen vanzelf op. Bij gebruik van nietjes moeten deze ongeveer de tiende dag na de operatie worden verwijderd door de huisarts.

Nevenwerkingen

Na verwijdering van de baarmoeder heeft u geen menstruatie meer en een zwangerschap is uitgesloten. Als de baarmoederhals niet verwijderd is, kan door het daarin nog aanwezige slijmvlies elke maand nog een heel klein beetje bloedverlies optreden. Bij een bikinisnede kan de huid rond het litteken langere tijd ongevoelig of juist overgevoelig zijn, omdat de huidzenuwen zijn doorgesneden. Dit verdwijnt meestal in de loop van de tijd.

Als u vóór de baarmoederverwijdering niet in de overgang was, kunt u na de operatie eventueel overgangsklachten zoals opvliegers krijgen. Dit komt doordat door de operatie de bloedvoorziening naar de eierstokken is veranderd. Deze klachten kunnen na verloop van tijd weer verdwijnen. Bij sommige vrouwen verandert de seksuele beleving ofwel in positieve of in negatieve zin. Vrouwen die problemen hadden met vrijen, kunnen er na de operatie nog meer moeite mee hebben.

Een baarmoederverwijdering kan een rouwproces met zich meebrengen. Sommige vrouwen voelen zich na een baarmoederverwijdering 'minder vrouw', omdat ze geen kinderen meer kunnen krijgen en niet meer menstrueren. Voor de meeste vrouwen betekent de baarmoederverwijdering echter een verbetering, zeker als ze voorheen frequent bloedverlies hadden.