Plaatselijke verdoving

Delen via , of LinkedIn of Mail.

Wat is het?

Deel van het lichaam is verdoofd
Nuchter zijn voor de ingreep
Wakker tijdens ingreep
5 soorten plaatselijke verdoving

Onze kwaliteit

  • Verdoving op maat, in overleg keuze voor verdoving die past bij de behandeling en bij de patiënt
  • Gericht op snel herstel

Wachttijd

Voorbereiding

Tijdens het preoperatief spreekuur heeft de anesthesioloog (de arts die de verdoving toedient) met u besproken dat plaatselijke verdoving (regionale anesthesie) het beste bij u en uw operatie (of onderzoek) past. Hierbij wordt een deel van uw lichaam verdoofd, bijvoorbeeld een arm of het onderlichaam.

De anesthesioloog dient een verdovende stof toe rond zenuwen die de pijnprikkels overbrengen. Dit maakt het gedeelte van het lichaam dat bij die zenuwen hoort gevoelloos, zodat u tijdens de operatie geen pijn heeft in dat gebied. In het verdoofde lichaamsdeel kan ook de spierkracht verminderen, zodat u de arm of de benen niet of nauwelijks kunt bewegen.

Na de ingreep werkt de regionale anesthesie plaatselijk door en geeft langdurig goede pijnstilling. U blijft tijdens de operatie wakker, maar als u dat niet wilt, kunt u een slaapmiddel krijgen.

Voor de toediening van regionale anesthesie moet u (meestal) nuchter zijn, om  te voorkomen dat de inhoud van uw maag tijdens de operatie in uw luchtpijp of longen terechtkomt.

Vijf vormen

Er zijn 5 vormen van regionale verdoving:

  • Spinale anesthesie (ruggenprik): voor operaties onder het niveau van de navel. U krijgt een prikje in de huid van uw rug waarna de anesthesioloog een kleine hoeveelheid verdovende vloeistof in het wervelkanaal spuit. De verdoving werkt binnen een paar minuten en houdt enkele uren aan.
  • Epidurale anesthesie (ruggenprik): voor operaties in de buik of borstholte, vaak in combinatie met algehele narcose. De anesthesioloog brengt via een ruggenprik een slangetje in uw rug aan dat wordt aangesloten op een pompje. Hierdoor komt pijnstillende vloeistof in uw lichaam. U krijgt ook een katheter, voor de afvoer van uw urine.
  • Plexus anesthesie: voor operaties van een arm (bij een schouderoperatie soms samen met algehele narcose). Via een okselprik of een prik onder het sleutelbeen of in hals of nek worden zenuwen geblokkeerd. U merkt wel dat uw arm geopereerd wordt, maar voelt geen pijn.
  • Bierse anesthesie: voor kleine operaties aan de hand of onderarm. De bloeddoorstroming wordt tijdelijk geblokkeerd via een strakke band om uw arm. Via een infuus loopt de verdovende vloeistof via de bloedstroom in uw hand. U voelt wel aanraking van de hand, maar geen pijn.
  • Retrobulbaire anesthesie (oogblok): voor operaties aan het oog. Met een prik onder het oog wordt de verdovende vloeistof ingespoten achter het oog. Voor deze verdoving hoeft u niet nuchter te zijn.

Verpleegafdeling

Voor de operatie (of het onderzoek) wordt u opgenomen op een verpleegafdeling. Een half uur tot een uur voor het begin van de ingreep krijgt u een rustgevende tablet, de zogenaamde premedicatie, zodat u zich kunt ontspannen.

U doet dingen als een kunstgebit, bril of contactlenzen, oorbellen, horloge, piercings of andere sieraden af en uit. Als u een gehoorapparaat heeft, kunt u dit inlaten. Ook moet u eventueel nagellak en kunstnagels verwijderen, omdat we het zuurstofgehalte in uw bloed tijdens en na de operatie meten aan uw vinger.

U trekt het operatiejasje aan dat u van de verpleegkundige krijgt en gaat in bed liggen. Vervolgens brengt de verpleegkundige u met bed naar de operatieafdeling.

Operatieafdeling

De recovery- of anesthesiemedewerker ontvangt u op de operatieafdeling. Voor het toedienen van de verdoving gaat u of naar een voorbereidingsruimte of direct naar de operatiekamer. U krijgt een naald in uw arm met daaraan een slangetje (het infuus ) voor de toediening van vocht en medicatie tijdens en na de operatie.

De anesthesiemedewerker sluit u aan op bewakingsapparatuur (voor de controle van het hart, de bloeddruk en het zuurstofgehalte). Vlak voor de operatie vindt een ‘time-out’ plaats. Dit is een controlemoment als u nog wakker bent in aanwezigheid van het operatieteam. Daarna start de anesthesioloog met de toediening van de plaatselijke verdoving die met u is afgesproken. Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer (verkoeverkamer) gebracht.

Uitslaapkamer

Op de uitslaapkamer (verkoeverkamer) kunt u rustig ontwaken onder toezicht van gespecialiseerde verpleegkundigen. Tevens krijgt u middelen tegen de pijn. De anesthesioloog schrijft voor welke pijnbestrijding u na de operatie nodig heeft. Na een kleine operatie is paracetamol of een andere pijnstiller zoals diclofenac voldoende. Na een grotere operatie krijgt u een morfineachtig medicijn.

Het kan zijn dat u in aanmerking komt voor pijnbestrijding via een infuuspomp (PCA-pomp). U krijgt dan de toedieningsknop van de infuuspomp in de hand, zodat u zelf pijnstilling kunt toedienen als de pijn opkomt. De infuuspomp is altijd zo ingesteld dat u nooit teveel medicijnen krijgt.

U blijft op de uitslaapkamer tot al uw lichaamsfuncties in orde zijn. De duur is mede afhankelijk van de ingreep en uw conditie. Als u verdoving met een ruggenprik heeft gekregen, wordt gewacht tot de kracht in uw benen is teruggekeerd. Als de controles goed zijn, gaat u terug naar de verpleegafdeling.

Nevenwerkingen

  • Spinale anesthesie (ruggenprik): soms treedt hoofdpijn op, die meestal na 1 tot enkele dagen met een lichte pijnstiller weer verdwijnt. De verdoving kan de controle op de blaas verminderen. Eventueel krijgt u een katheter voor de afvoer van uw urine.
  • Epidurale anesthesie (ruggenprik): Soms komt jeuk over het hele lichaam voor. U krijgt dan een ander medicijn voor de pijnbestrijding en een medicijn dat de jeuk vermindert. In een klein aantal gevallen kan tijdens het toedienen van de verdovingsvloeistof een tijdelijk doof gevoel en/of krachtsvermindering ontstaan in een of beide benen. Dit verdwijnt als de toediening wordt gestaakt.
  • Plexus anesthesie (zenuwblokkade): naast gevoelloosheid kan de spierkracht in de arm verminderd zijn en kunt u uw arm (bijna) niet gebruiken. Bij het verdwijnen van de verdoving kunnen prikkelingen optreden. Deze wijze van verdoven kent een succespercentage van ongeveer 85-95%. Mocht deze vorm bij u niet werken, dan wordt u onder algehele anesthesie behandeld.
  • Bierse anesthesie (verdoving via bloedbaan): naast gevoelloosheid kan de spierkracht in de arm verminderd zijn en kunt u uw arm (bijna) niet gebruiken. Bij het verdwijnen van de verdoving kunnen prikkelingen optreden.
  • Retrobulbaire anesthesie (oogblok): gedurende een paar uur kunt u slecht zien met het verdoofde oog.